"de stilte riep" kun je bestellen via email: info@delaatsteverjaardag.nl
Ik vraag hier 12,5 euro voor inclusief verzendkosten. Het is een simpel A5-boekje met twee nietjes door de rug. Ik stuur hem je toe in een gerecyclede envelop. Via bovengenoemd emailadres wisselen we adresgegevens en betaalgegevens uit.
Hieronder een voorproefje van het eerste hoofdstuk:
Mijn lichaam was een tempel van hoofdpijn, mijn geest versplinterd glas. De wanhoop had zich als een klimop om me heen gewikkeld en verstikte elke ademtocht. Ik kon niet meer, ik wilde niet meer. Moest ik hier de rest van mijn leven mee doorgaan? De stemmen in mijn hoofd, de schelle, constante symfonie van meldingen, podcasts en het opgewonden, panische gebabbel van het nieuws, waren oorverdovend geworden. De digitale kakofonie, verweven met een wereld in crisis, had mijn ziel tot zwijgen gebracht.
Ik begon mijn werk als zzp'er in de thuiszorg bij David. David was een man die in een raadselachtig coma lag. Het bijzondere aan zijn toestand was dat hij, buiten wat hydratatie via een voedingssonde, geen medicatie of direct medisch toezicht nodig had. Zijn vitale functies waren stabiel, alsof zijn lichaam in een perfecte, autonome slaaptoestand verkeerde. Deze unieke situatie maakte het mogelijk dat hij thuis verzorgd kon worden.
Davids huis bood een vreemde, ongemakkelijke rust. Een schril contrast met mijn eigen innerlijke chaos. Het was een plek van uitzonderlijke soberheid. Er waren nauwelijks elektrische apparaten te vinden en de meubels waren beperkt tot het hoogstnoodzakelijke. Overal hingen echter wel boekenplanken, volgestouwd met romans en titels over meditatie en oosterse filosofieën. Een stille getuigenis van Davids vroegere zoektocht. Deze minimalistische leefstijl, doorspekt met een diepe spirituele en filosofische aanwezigheid, creëerde een voelbare kalmte. Een oase van rust, die mijn zenuwen onmiddellijk op scherp had gezet.
David, comateus en afhankelijk van mijn zorg, was een zwijgende getuige van mijn langzame implosie. Ik ging bijna elke dag naar hem toe, een ritueel dat me even los koppelde van de mallemolen thuis. Hier kon ik ademhalen, althans, dat probeerde ik. Terwijl ik zijn linnen verschoonde, of gewoon stil naast hem zat voelde ik de druk van de buitenwereld wegvallen. Het was een ijle, bijna breekbare vrede, die me net genoeg lucht gaf om niet te verdrinken.
Ik leerde zijn ademhaling herkennen. Zijn borst bewoog nauwelijks, het was zijn buik die ritmisch op en neer bewoog. Een kalme golfslag die de tijd in de kamer leek te vertragen. Mijn vingertoppen vonden zijn pols, een gestage klop die me dwong tot stilte. Zijn huid voelde warm en zacht onder mijn aanraking, een kwetsbare herinnering aan het leven dat in hem sluimerde. Een routine die meer was dan alleen werk. Een oefening in pure aanwezigheid. Hier was geen plaats voor de schelle ruis van buiten, geen ruimte voor de eindeloze to-dolijsten.
Vooral de nachten die ik bij David doorbracht, wanneer ik de avonddienst overnam en door een collega in de ochtend werd afgelost, vormden een openbaring. Thuis waren de nachten gevuld met fluisteringen van mijn eigen angsten, de onrustige slaap van de kinderen en de ijskoude stilte tussen mijn man en mij. In Davids huis was de duisternis anders, hier was de stilte niet leeg, maar vol. Vol van het zachte ritme van Davids ademhaling, het kraken van het oude huis en de stille aanwezigheid van al die boeken vol eeuwenoude wijsheid. In deze kamer leek de zwaartekracht van de buitenwereld even te zijn weg gevallen.
Zonder de onophoudelijke stroom van digitale ruis en de onuitgesproken spanningen, kon mijn geest eindelijk tot rust komen. De hoofdpijn ebde langzaam weg, en soms, heel soms, sliep ik zelfs een paar uur dieper en ononderbroken dan ik in maanden had gedaan. Deze nachten waren geen werk; ze waren een geheime retraite. Een zalige ontsnapping aan de razende wereld die buiten wachtte. Ik voelde een voorzichtige verschuiving. Een minieme verzachting in de greep van de wanhoop.
De reis tussen Davids stille huis en mijn eigen hectische bestaan was een dagelijkse marteling. De auto, voorheen mijn vertrouwde cocon, werd een arena voor mijn gedachten. Een gevangenis op wielen. De heenweg was gevuld met de laatste echo’s van de ochtendlijke chaos: de onafgemaakte discussies met mijn man, de haastig gesmeerde broodjes voor de kinderen en de lijst met taken die als een zware deken op me lag. Maar, zodra ik Davids oprit opreed, viel er een vreemde, haast sacrale stilte over me heen. Het was een opluchting, alsof de lucht plots helderder werd.
Mijn werk bij David betekende dat ik deel uitmaakte van een klein team van thuiszorgmedewerkers. De aflossing was een moment van geforceerde vrolijkheid of een snelle, oppervlakkige uitwisseling. Elke plotselinge beweging van een collega, een te hard geluid, liet me onwillekeurig schrikken. "Alles rustig hier?" "Ja hoor, z'n temperatuur is stabiel." Mijn antwoorden waren kort, haastig, mijn stem vaak niet meer dan een fluistering. Kleine momenten die meer energie kostten dan dat ze opleverden. De collega's waren vriendelijk genoeg, terwijl hun voortdurende praatjes over kinderen, boodschappen en werkdruk juist een confrontatie vormden; een pijnlijke herinnering aan de diepe leegte die ik bij mezelf voelde.
De ploegendienst bij David was feitelijk een dienst van één persoon; je was er alleen. Het idee dat ik me kwetsbaar moest opstellen, mijn diepste vermoeidheid moest delen met mensen die ik slechts via een overdracht kende, voelde als een onoverkomelijke opgave. Ik voelde de spanning in mijn lichaam toenemen zodra ze binnenkwamen. Ik vroeg me af of zij deze verstikkende druk ook voelden, deze innerlijke leegte, maar ik durfde het nooit te vragen. De noodzaak om mijn professionele houding hoog te houden, vooral tegenover hen, droeg bij aan de staat van spanning waarin ik leefde. Ik was Ilse, de betrouwbare zzp'er, niet Ilse, de vrouw die op het punt stond te breken.
De terugweg was een omgekeerde reis: vanuit de bedwelmende kalmte van Davids huis stortte ik me weer in de maatschappelijke kakofonie en de sociale druk. Zodra de motor aansloeg, voelde ik de 'cold turkey' van de stilte. De spanning wikkelde zich weer om mijn schouders, zwaarder dan ooit, als een wurggreep die mijn verslaving aan rust pijnlijk zichtbaar maakte. De radio kon ik niet verdragen; elk nieuwsbericht, elke reclame, elke vrolijke beat voelde als een aanval. Mijn telefoon trilde continu met meldingen over perfecte levens op sociale media, nieuwe modetrends die ik moest volgen, alarmerende koppen over klimaatopwarming en de steeds reëlere dreiging van een Derde Wereldoorlog. Ik reed vaak met mijn kaken op elkaar geklemd, mijn blik gefixeerd op de weg, terwijl de angst om niet goed genoeg te zijn, de onrust over de crisis in de wereld en de groeiende kloof met mijn man me verder naar de afgrond duwden.
Er waren dagen dat ik niet naar David hoefde. Zonder zijn serene aanwezigheid stortte de volle realiteit van het leven zich op me, als een meedogenloze vloedgolf. De kinderen waren thuis, eisten aandacht, speelden, vochten. Hun onschuldige chaos voelde als een fysieke druk. Ze waren de onuitgesproken reden dat we bij elkaar bleven. Het huis, dat mijn thuis moest zijn, voelde vaak als een kooi, gevuld met de echo's van mijn innerlijke onrust en de onontkoombare eisen die van alle kanten op me afkwamen. Die 'vrije' dagen betekenden geen rust; ze waren een constante confrontatie met de overweldigende, onhoudbare werkelijkheid die me langzaam verstikte.
De eerste keer dat ik echt probeerde te mediteren, was de stilte oorverdovend. Ik zat op een oud kussen in Davids sobere woonkamer, de geur van stof en oud papier om me heen, Davids zachte ademhaling als enige geluid. Op een klein tafeltje lagen glimmende kristallen en een set bronzen klankschalen. Ik sloot mijn ogen. Zoals de boeken vol wijsheid suggereerden. Ik haalde diep adem en probeerde mijn gedachten te kalmeren. Eerst was er niets dan de chaos in mijn hoofd: de eindeloze to-dolijstjes, de zorgen over de kinderen, de pijn van mijn huwelijk en de almaar toenemende mondiale angsten. Maar langzaam, heel langzaam, ontstond er een opening.
Het begon met flitsen van vroeger. Geen volledige beelden of concrete gebeurtenissen, eerder zuivere sensaties en abstracte impressies die direct in mijn ziel landden. De warme, onbezorgde sensatie van zonlicht op mijn huid tijdens een zomerse middag als kind. Het diepe, geruststellende gevoel van absolute veiligheid in de armen van mijn vader. De ongefilterde vreugde van een eerste ontdekking, een simpele verwondering over een bloem of een wolk. Het waren geen bewuste herinneringen die ik kon plaatsen, maar pure, onbevangen ervaringen die een echo waren van een diepere, onschuldige laag in mijzelf. Elk fragment was een klein venster naar een tijd waarin de wereld minder complex was. Waarin ik minder belast was en nog niet wist wat het betekende om 'niet goed genoeg' te zijn.
Ik bleef het proberen, nacht na nacht, tijdens mijn diensten bij David. De sobere, stille omgeving werd mijn tempel. Ik begon de boeken te bestuderen, de titels te lezen en las af en toe een pagina. De concepten van meditatie en de oosterse filosofieën die ik daar vond, begonnen te resoneren. Ik raakte voorzichtig de kristallen aan, voelde de koelte en de gladheid. In de stilte leek ik hun subtiele energie te voelen. Heel soms, als de nacht het stilst was, probeerde ik heel voorzichtig één van de klankschalen aan te slaan. De zachte resonerende trillingen vulden de ruimte, drongen door merg en been en kalmeerde diep van binnen.
Door deze momenten van studie en innerlijke oefening, en door de diepe, onuitgesproken verbinding die ik voelde in de serene aanwezigheid van David, begon er een vreemde, voorzichtige liefde voor hem te groeien. Het was geen romantische liefde, maar een diep respect en een gevoel van verbondenheid met deze zwijgende man die, zonder een woord te zeggen, mijn grootste leraar was geworden. Zijn minimalistische en kennelijk diep spirituele levensstijl trok me onweerstaanbaar aan. Het was een tegenpool van de overconsumptie en oppervlakkigheid die ik buiten Davids muren ervoer, en het bood een glimp van een ander, meer authentiek bestaan. Ik begon te begrijpen wat er in die spirituele boeken stond, niet intellectueel, maar visceraal. Het waren geen abstracte concepten meer, maar inzichten die me hielpen de muur af te breken die ik rond mijn hart had opgetrokken.
Ik leerde ademhalen, écht ademhalen, tot diep in mijn buik. En met elke ademhaling kwam er meer ruimte, een voorzichtig vrijkomen van de verstikkende druk. De hoofdpijn, hoewel nog steeds aanwezig, voelde minder heftig, meer als een verre dreiging. De angst nam niet af, maar ik kon er anders naar kijken. Alsof ik er voor het eerst afstand van kon nemen, als een ooggetuige van mijn eigen innerlijke strijd.
In de ochtend, wanneer de eerste zonnestralen door Davids ramen vielen en het tijd was om naar huis te gaan, voelde de terugkeer naar de 'echte' wereld als een koude douche. De lijst met taken, de onuitgesproken verwijten van mijn man, de onschuldige, veeleisende energie van mijn kinderen – het was allemaal intenser geworden na de stilte.
Vele maanden verstreken en de kloof tussen mijn twee werelden werd ondraaglijk. De energie die ik bij David opdeed, deze vluchtige ontsnapping, werd onmiddellijk opgeslokt door de eisen van mijn gezin en de sociale druk van de maatschappij. Wat eerst voelde als een redding, begon nu te voelen als een gevaarlijke illusie van controle. De problemen thuis, de groeiende kloof met mijn man, de onbeantwoorde eisen van mijn kinderen, de opdringerige ruis van de buitenwereld – woekerden voort, ongezien, onbehandeld, afgesloten in een door afzondering gecreëerde bubbel. De onzichtbare verwachtingen van de buitenwereld, de wereldwijde crises die aan mijn ziel knaagden, het was niet langer ruis. Het was een schelle, ondraaglijke symfonie van verwarring die mijn hoofd overspoelde, totdat ik geen grip meer had op wat echt was en wat niet. Mijn eigen gedachten waren vijanden geworden, en de grens tussen werkelijkheid en illusie vervaagde tot een pijnlijke mist.